Skip to content

Uitloggen: Dutch verb forms

uitloggen logde uit uitgelogd

to log out

Conjugation

PersonPresentPastPerfect
iklog uitlogde uitheb uitgelogd
jij, ulogt uitlogde uithebt uitgelogd
hij, zij, hetlogt uitlogde uitheeft uitgelogd
wij, jullie, zijloggen uitlogden uithebben uitgelogd

Meaning in English

  1. to log out

Remember uitloggen with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)